Een goed functionerende woningmarkt is een bron van bouwactiviteit en werkgelegenheid. De woningmarkt kent diverse elementen die met elkaar in evenwicht moeten zijn, wil deze ook daadwerkelijk goed functioneren. Daar doen zich echter knelpunten voor. Knelpunten die Bouwend Nederland, in het belang van haar leden én van de maatschappij, wil helpen oplossen.
| Functioneren van de woningmarkt |
Om de woningmarkt goed te laten functioneren moeten de huur- en koopsector op gelijke wijze worden behandeld. Eenzijdige ingrepen, zoals het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek, kunnen een ernstige verstoring van de toch al wankele markt tot gevolg hebben. Het zogenaamde ‘scheefwonen’ in de huursector dient ook onderdeel van de aanpak te zijn. Daarom pleit Bouwend Nederland voor een debat over de werking van de woningmarkt in de volle breedte en op basis van feitelijke informatie. Uit onderzoek blijkt dat niet de hypotheekrenteaftrek maar de huurprijs-regulering en overdrachtsbelasting de grootste belemmeringen vormen voor toetreding, doorstroming en investeringen in de woningmarkt. Daarbij zal de overheid zich een betrouwbare partner moeten tonen. Alleen dan kan het consumentenvertrouwen in de woningmarkt blijvend hersteld worden. |
| Grondmarkt |
De grondprijzen blijven hoog. Het gevolg is dat plannen sneuvelen of worden herontwikkeld met bezuinigingen op de kwaliteit van het plan (grotere dichtheden, minder natuur en openbare voorzieningen, enz.). Ook worden steeds meer kosten van openbare voorzieningen op nieuwbouw-projecten afgewenteld en dragen koopwoningen in belangrijke mate bij aan de realisatie van sociale huurwoningen. De verhouding tussen de kwaliteit van de woning en de prijs (die onevenredig gevoed wordt door de grondprijzen) is in onbalans geraakt. De kritische grens voor het goed functioneren van de nieuwbouw in de koopsector is hierdoor zo langzamerhand bereikt. |
| Binnenstedelijk bouwen |
Het kabinet zet sterk in op binnenstedelijk bouwen: 40 procent van alle nieuwe woningen moet in bestaand stedelijk gebied worden gebouwd. Dat is veel ingewikkelder en daardoor duurder dan bouwen op uitleglocaties. Bouwend Nederland is van mening dat, indien het beleid van het kabinet daarop gericht is en blijft, er boter bij de vis moet worden geleverd en de (financiële) gevolgen niet op het bord van de gemeenten moeten worden gelegd. |
| Stedelijke vernieuwing |
De leefbaarheid in grote steden staat hoog op de agenda van het kabinet. Jaarlijks gaat 250 miljoen euro extra naar achterstandswijken. Bouwend Nederland ziet in deze omvangrijke impuls kansen voor de bouwsector. Het initiatief tot stedelijke vernieuwing ligt primair bij gemeenten en corporaties. Om de haalbaarheid van projecten te vergroten en te versnellen, moeten zij meer en vroegtijdig samenwerken met bouwbedrijven. Die kunnen zich onderscheiden door hun kennis over sloop en renovatie en over de complexe processen van project- en planontwikkeling. Bovendien kennen zij de markt. |
| Ruimte om te bouwen |
Volgens het RIGO is er voor de periode na 2010 in principe voldoende plancapaciteit om 90.000 woningen per jaar te kunnen bouwen. De hardheid van die plannen is op langere termijn echter zeer gering omdat een solide financiële basis ontbreekt. |
| Regelgeving |
De omgevingsvergunning per medio 2010 zorgt voor een efficiënte geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. Met name aan de voorkant van het traject, bijvoorbeeld op het gebied van natuur en milieu, moet nog verdere afstemming plaatsvinden. |
| Demografische ontwikkelingen |
De geleidelijk aan doorzettende vergrijzing leidt tot een koopkrachtige oudere generatie die zorgt voor een veranderende vraag op het gebied van wonen. Die veranderende vraag betreft zowel het type woningen als de woonomgeving en de aanwezige voorzieningen. |
Voor de komende tijd zet Bouwend Nederland in op ...
- het actief volgen van de diverse uitvoeringsplannen van lokale en regionale overheden voor het vlot trekken van de woningmarkt in samenwerking met onder andere de afdelingen van Bouwend Nederland;
- het maximaal benutten van de Crisis- en herstelwet ook waar het gaat om kleinere woningbouwprojecten;
- het aanwenden van onze invloed in de aanloop naar een nieuw kabinet om onze doelstellingen te bereiken op het punt van handhaving van de hypotheekrenteaftrek en liberalisering van de huurmarkt;
- het motiveren van provincie en/of Rijk om bij te springen wanneer de grondexploitatie niet sluitend is om zo de realisatie van de plannen toch mogelijk te maken;
- het door de overheden structureel beschikbaar stellen van extra geld om binnenstedelijke locaties te kunnen ontwikkelen. Het kabinet moet hiervoor een ruimtelijke investeringsagenda voor de lange termijn opstellen.
- meer overleg en samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen bij stedelijke ontwikkeling, bijvoorbeeld via een wijkontwikkelings-maatschappij;
- versnelde ontwikkeling van de noodzakelijke (extra) bestemmingsplan-capaciteit, zo niet in stedelijke regio’s, dan op geschikte locaties in uitleggebieden;
- vermindering van regelgeving in de bouwsector conform de voorstellen van de commissie Dekker;
- een terughoudende opstelling van gemeenten bij het stellen van allerlei architectonische, stedenbouwkundige en welstands-eisen die kostenverhogend werken.
