Planeet zoekt onwaarschijnlijke partners

Door Pim Nusselder , 10 maart 2017

Planeet zoekt onwaarschijnlijke partners

Hoe kom je van Parijs naar 2050? Via de bouw? Het klimaatakkoord van Parijs is een enorme uitdaging, net als de termijn waarop we die grote stappen gezet moeten hebben. Maar wie moet nou wat precies doen? Of juist laten? Of moet de lat nog hoger?

Stof genoeg om met experts een veelzijdige discussie op niveau te hebben, op een duurzame locatie ook nog. Met de verkiezingen in aantocht organiseerde Bouwend Nederland een gesprek tussen deskundigen in een thema dat de politiek én de bouw de komende jaren nóg meer zal gaan bezighouden: duurzaamheid.

Toch met gas

De opgave is enorm, alleen al op het stukje planeet dat Nederland heet: miljoenen oudere woningen, scholen en zorggebouwen zijn heel hard aan een duurzame renovatie toe. Technisch is dat tegenwoordig niet meer moeilijk. Dus doet iedereen het? Nee, kenners weten dat het heel vaak stuk loopt op financiering. Maar goed beleid van een betrouwbare overheid kan veel angst wegnemen; de Overijsselse aanpak zou gepromoveerd kunnen worden tot de Nederlandse aanpak.

En laten we Europa niet vergeten. Veel duurzame wet- en regelgeving komt van de EU, Nederland móet dus wel bewegen. Ofwel: een nieuw kabinet hoeft dus niet per sé een doorbraak te forceren? Gaan we ‘vanzelf’ van het gas af, vervangen we het net niet meer na 2030? Of is dat ook niet helemaal de oplossing? Want ‘gasloze’ nieuwbouw kan per definitie geen gas meer krijgen. Ook geen biogas bijvoorbeeld, door leidingen waar nu nog aardgas doorheen gaat. Maar als je alles elektrificeert, heb je een enorm veel groter stroomnet nodig, om de pieken op te vangen. En waar draaien die elektriciteitscentrales dan weer op? Kunnen we niet beter inzetten op een overgang van aard- naar biogas - en dus toch het gasnet moderniseren? Of in elk geval nog ‘gewoon’ aanleggen bij nieuwe woningen?

Van keuzestress tot kookles

Of moeten we inzetten op maatwerkoplossingen van allerlei pluimage? Geothermie, restwarmte, et cetera? Leidende vraag zou moeten zijn: hoe hou je de transitie naar duurzame warmte zo goedkoop mogelijk en toch nog betrouwbaar? Bij de één komt er dan een buis met stadswarmte z’n huis binnen, bij de ander staat een warmtepomp te snorren en weer een ander heeft een warm huis en hete koffie dankzij de restwarmte van fabrieken even verderop. Over pakweg 10 jaar komt er ook nog waterstof bij, voor industriële of misschien zelfs wel huishoudelijke toepassingen. Zijn installateurs en bouwers klaar voor zo’n veelkleurige werkelijkheid? Zijn er zoveel deskundige duurzame aanbieders? Krijgt de consument geen keuzestress? En wie betaalt dat dan allemaal? Krijgen we naast gas- en elektra-aansluitingen ook nog warmtenet- en aardwarmte-aansluitingen en –rekeningen? Of één energie-aansluiting?

Het gaat kortom om slimme keuzes die nu gemaakt moeten worden. Kleinschalig maatwerk, van NOM tot restwarmte en diepe geothermie. Al zal het nooit tot de techniek beperkt kunnen blijven. Bewoners zullen het moeten bedienen en gebruiken, dus moet je de systeemveranderingen heel goed uitleggen en blijven begeleiden. Met zelfs nieuwe pannensets en kookles, zoals duurzame bouwers nu al doen. Draagvlak verzorgen is en blijft belangrijk, want comfortabeler, makkelijker en goedkoper is het helaas niet. Dat waren de voordelen van de vorige, verbluffend vlotte transitie – van kolen naar aardgas, in de jaren ’60.

Binnenslepen

De vraag is alleen of de bouwsector solo dit draagvlak moet – en kan – kweken. Logische partners zijn ook gemeenten, provincies en corporaties. In Overijssel blijkt dat het succes niet zozeer zit in duizenden leningen, maar juist in de ontzorg-aanpak van de samenwerkende bedrijven, provincie en gemeenten, die ook nog eens Europese financiering slim binnensleepten. Of dat binnenslepen door anderen laten doen met subsidie, zoals bij de 75 miljoen voor het nieuwe warmtenet bij Hanzeland. Samenwerken is samen pionieren, gebruik maken van regionale sterke punten. Met de textielkennis in Twente bijvoorbeeld isolatiemateriaal ontwikkelen, of samen ongemotiveerde bewoners, corporaties en schoolbesturen in beweging krijgen, te beginnen met rekensommetjes en neveneffecten van verduurzaming, zoals beter comfort en binnenklimaat, waardoor prestaties omhoog en uitval omlaag gaan.

Propositie en ambitie omhoog

Maar bedrijven, overheden en anderen moeten samen wel snel aan de slag, waar nu vaak nog gevoel van urgentie ontbreekt. Uit de nieuwste onderzoeken blijkt dat we in de slechtste klimaatscenario’s zitten, met temperaturen die op nota bene de Noordpool oplopen tot 20 graden hoger dan normaal. Dat is geen comfortabel gegeven voor miljoenen inwoners van een laagliggende delta die zo gevoelig is voor extreem weer. Ook is het slecht nieuws voor gebieden, bijvoorbeeld in Afrika, die juist droger worden. Zo droog dat er geen perspectief meer is en de bewoners in grote getale op stap gaan – naar Europa. Voor de bouw betekenen deze mondiale ontwikkelingen uiteindelijk dat er lokaal en individueel meer vraag zal komen naar het energiezuinig maken van woningen.

Tenminste, als individuele klanten door het moeras komen dat verduurzaming heet; de hypotheekadviseur snapt het vaak al niet, terwijl duurzaamheidsadviseurs, installateurs en bouwers elkaar tegenspreken als het gaat om ‘de beste oplossing voor uw huis’. Kortom: wil de bouw die lonkende 250 miljard extra omzet binnenhalen in de komende 20 jaar, dan moet de propositie én de ambitie van de bouw beter worden.

Technisch en sociaal

En als de sector daar zelf niet uitkomt, moet er dan een onwaarschijnlijke partner bij gevonden worden, zoals de milieubeweging? Samen zouden ze bij een overheid misschien wel de nodige extra subsidies voor labelstappen (of 10.000 per woning erbij, voor NOM) kunnen afdwingen die consumenten en corporaties in beweging krijgen. A la ‘wind op zee’ zal het in het begin nog duur zijn, maar door opschaling kunnen de kosten met meer dan 60 procent dalen. Beginpunt kan zo’n onwaarschijnlijke coalitie zijn. Dat maakt de energietransitie in essentie meer tot een marketing- of zelfs maatschappelijk project dan een technologisch project.

Want het gaat uiteindelijk niet om systeemkeuzes; niet iedereen kan bijvoorbeeld aan de WKO. Het gaat om de keuze van consumenten én bedrijven die dat snappen.
Plus een overheid die de lat hoger legt, als prikkel voor de velen die het prima vinden zoals het nu gaat. Een overheid die ook faciliteert, die coördineert, zodat niet individuele woningen, maar hele wijken qua uitstoot omlaag gaan. En die duurzame woning nog eens laten flankeren door duurzame en creatieve initiatieven voor vervoer, klimaatadaptatie en zelfs voeding. ‘Killing’ is het over de schutting gooien van risico’s. Het gaat om samenwerking; slimme duurzame uitvraag van opdrachtgevers en overheid is de crux voor echte oplossingen.


DUURZAAMHEID ENERGIEZUINIGE BESTAANDE BOUW ENERGIEZUINIGE NIEUWBOUW

Over de auteur

P. (Pim) Nusselder

Woordvoerder/Senior communicatieadviseur