In landen als Duitsland, Engeland en de VS speelt het al langer: Shrinking Cities. Sinds het verschijnen van het rapport 'Structurele bevolkingsdaling, een urgente nieuwe invalshoek voor beleidsmakers' begin 2006 is ook Nederland in de ban van krimp. In hoeverre is het 'doemscenario' van krimp realiteit, wat zijn de mogelijke gevolgen voor de woningvoorraad en hoe ga je daarmee om?
1. Wat is krimp?
2. Krimp: de voorspellingen
3. Mogelijke gevolgen voor de woningvoorraad
4. Omgaan met krimp
1. WAT IS KRIMP EN WAARDOOR WORDT HET VEROORZAAKT?
Krimp is een afnemend aantal inwoners in een bepaald gebied. Deze afname kan worden gedefinieerd in termen van: aantallen (aantal inwoners of aantal huishoudens), bevolkingssamenstelling (bijv. naar leeftijd of etniciteit), huishoudensamenstelling (bijv. naar omvang, levensfase of inkomen (RPB, 2006).
Krimp kan verschillende oorzaken hebben:
- demografische ontwikkelingen, zoals een hoger sterftecijfer dan geboortecijfer of een hoger emigratiecijfer dan immigratiecijfer
- ruimtelijke ontwikkelingen, bijv. wanneer 'polarisatie' optreedt, waarbij een bepaalde regio of stad veel sterker wordt dan andere regio's of steden en daarmee een aanzuigende werking heeft op bedrijven en mensen
- krimp kan een gevolg zijn van bevolkingspolitiek van de overheid; economische ontwikkelingen
- industriële transformatie van een gebied kan een oorzaak zijn, waarbij met het wegtrekken van bepaalde industriële sectoren (de-industrialisatie) ook een deel van de bevolking het gebied verlaat
- en tot slot kunnen bijzondere calamiteiten krimp veroorzaken, zoals een oliecrisis, oorlog of hongersnood
2. KRIMP: DE VOORSPELLINGEN
Globaal bezien zijn er drie 'visies' op (toekomstige) krimp in Nederland:
- Krimp ja, maar het is zeker geen nieuw verschijnsel.
- Krimp komt eraan! Dit is de visie zoals verwoord in het rapport 'Structurele bevolkingsdaling, een urgente invalshoek voor beleidsmakers' van de Universiteit van Maastricht uit 2006.
- Het valt reuze mee en is bovendien moeilijk te voorspellen. Dit is de reactie van Pieter Hooijmeijer van de Universiteit van Utrecht op het Maastrichtse rapport.
Ad. 1. Krimp ja, maar het is zeker geen nieuw verschijnsel
Het Ruimtelijk Planbureau heeft onderzoek gedaan naar de ruimtelijke gevolgen van demografische krimp. In hun rapport dat eind 2006 verscheen, staat te lezen dat naar verwachting het totale inwoneraantal van Nederland rond 2035 zal stabiliseren en vervolgens langzaam afnemen. In een aantal gebieden begint dit al eerder. Dit zal zich het sterkst voordoen aan de randen van Nederland en/of in de minder aantrekkelijke woon- of werkgebieden. In 2025 heeft ruim de helft van het aantal gemeenten (467) minder inwoners dan nu. Eén op de vijf gemeenten heeft in 2025 bovendien minder huishoudens. In een aantal gemeenten is nu al sprake van krimp. Waar het in eerste instantie ging om individuele gemeenten, gaat het nu vaak om krimp in hele regio’s.
De onderlinge verschillen in demografische ontwikkelingen van gemeenten en regio’s zijn groot. In Zuid-Limburg zal de krimp het meest omvangrijk zijn, met een afname van bijna 74.000 inwoners, aldus het RPB rapport Ruimte en Krimp. De krimp is daarnaast het meest omvangrijk in Oost-Groningen, Zeeuws Vlaanderen en Delfzijl en omgeving. De grootste absolute afname zal optreden in Parkstad Limburg. De bevolking in Heerlen neemt af met bijna 16.000 inwoners in de periode van 2005 tot 2025. Door de kleiner wordende huishoudensamenstelling, zal het aantal huishoudens in eerste instantie ongeveer gelijk blijven. Ook hier komt echter een einde aan. In de periode tot 2035 zullen de corporaties in Parkstad Limburg te maken krijgen met een theoretisch overschot van 20.000 woningen. In totaal kan Zuid-Limburg een krimp van 4 procent van het aantal huishoudens tegemoet zien. Andere regio’s waar het aantal huishoudens sterk zal afnemen zijn Oost-Groningen (-6%), Delfzijl en omgeving (-3%) en Zeeuws-Vlaanderen (-3%).
Het RPB hamert erop dat demografische krimp geenszins een nieuw verschijnsel is. Ook in het verleden zijn regio’s en gemeenten geconfronteerd met een teruglopend inwonersaantal. De afgelopen dertig jaar was dit bijvoorbeeld het geval in Rotterdam, Haarlem en in Hilversum. In vergelijking met het buitenland is de aanstaande krimp in Nederland op nationaal niveau bovendien bescheiden, zo niet te verwaarlozen. Ook Hooijmeijer constateert trouwens dat in het geheel geen sprake is van nieuwe inzichten. Demografische ontwikkelingen worden in Nederland immers heel goed gevolgd en zijn ook input voor beleidsbeslissingen. Het onderzoek gaat verder met name in op de gevolgen van krimp, die verderop in dit overzicht aan de orde zal komen.
Ad. 2. Krimp komt eraan!
Begin 2006 verscheen de publicatie 'Structurele bevolkingsdaling, een urgente invalshoek voor beleidsmakers' van de Universiteit van Maastricht. Een onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de VROM-raad en de Raad voor Verkeer en Waterstaat. Het rapport voorspelt een daling van de bevolking in Nederland vanaf 2035. In een aantal delen van Nederland is de top van het aantal inwoners op dit moment zelfs al voorbij, zoals in Limburg. Het dalende vruchtbaarheidscijfer - het feit dat er steeds minder kinderen worden geboren - wordt in het rapport genoemd als de belangrijkste oorzaak. Om een bevolking constant te houden, is een vruchtbaarheidscijfer van 2,1 nodig. Dit cijfer ligt al sinds de jaren '70 van de vorige eeuw op gemiddeld 1,7. Een positief migratiesaldo kan de onvermijdelijke daling alleen nog uitstellen, aldus de onderzoekers. Sinds enige jaren is echter sprake van een negatief migratiesaldo: meer mensen vertrekken uit Nederland dan dat er binnenkomen. Het onderzoek van de Universiteit van Maastricht kreeg begin 2006 veel (media-)aandacht. Sindsdien staat het onderwerp krimp in de schijnwerpers, niet in de laatste plaats op vele congressen over de (toekomst van de) Nederlandse ruimtelijke ordening. Het rapport heeft voor een ware krimpdiscussie in Nederland gezorgd.
Ad. 3. Het valt reuze mee en is bovendien moeilijk te voorspellen!
Een belangrijke criticus van het mediacircus rondom het Maastrichtse rapport is hoogleraar demografie Pieter Hooijmeijer van de Universiteit van Utrecht. Hooijmeijer verbaast zich in hoge mate over de manier waarop het onderwerp demografische krimp zo in de belangstelling is komen te staan. Volgens Hooijmeijer is het nog maar afwachten in hoeverre daadwerkelijk sprake zal zijn van krimp. Volgens zijn eigen berekeningen zal na 2035 inderdaad sprake zijn van een licht negatieve 'natuurlijke aanwas', oftewel een negatieve groei. Dan treedt weliswaar een lichte krimp van de bevolking op, maar deze ontwikkeling voltrekt zich in golfbewegingen. Zo is zijn verwachting dat de ontwikkeling na 2045 weer iets minder negatief wordt. Bovendien stelt Hooijmeijer dat een lager vruchtbaarheidscijfer wel een belangrijke factor is, maar dat migratie ook een rol speelt bij de vraag of de bevolking daadwerkelijk gaat krimpen. En deze laatste is veel lastiger te voorspellen. Bij de krapte die ontstaat op de arbeidsmarkt in combinatie met een aantrekkende economie is het bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat het aantal immigranten zal toenemen.
Conclusie
Dat de daling van de bevolking in Nederland niet te vergelijken is met sommige situaties in het buitenland, daar zijn alle onderzoekers het over eens. Er zal geen sprake zijn van een sterke leegloop zoals op het Franse platteland voltrekt, noch van een onverwacht snelle daling zoals in steden als Leipzig of Liverpool. En hoewel krimp moeilijk te voorspellen is, feit blijft dat een aantal gemeenten in Nederland al te maken heeft met het fenomeen.
Reden genoeg om aandacht te besteden aan de mogelijke gevolgen van krimp voor de woningvoorraad en hoe deze gemeenten daarmee om gaan.
3. MOGELIJKE GEVOLGEN VAN KRIMP VOOR DE WONINGVOORRAAD
Op de woningmarkt zullen de effecten van demografische krimp zich vooral regionaal voordoen. Per regio verschillen de woningmarkt en de prognoses voor bevolkingsontwikkeling immers behoorlijk. Zo zal in regio’s waar momenteel sprake is van een groot woningtekort, krimp tot minder druk op de woningmarkt leiden. De voorspelde lichte bevolkingsafname in de Randstad vertaalt zich echter in eerste instantie vooral in een lagere woningbezetting (RPB, 2006).
Leegstand en waardedaling
In andere regio's, met name aan de randen van Nederland, daalt de bevolking echter zo sterk, dat ook bij een lagere woningbezetting woningen over zullen blijven (RPB, 2006). Zonder adequate maatregelen kunnen leegstand en waardedaling van woningen het gevolg zijn. Mensen hebben immers theoretisch meer te kiezen: het aanbod overstijgt de vraag. Minder huishoudens kan leiden tot een te ruime woningvoorraad op sommige plekken, en daarmee leegstand.
Minst aantrekkelijke delen eerst getroffen
De minst aantrekkelijke delen van de woningvoorraad zullen het eerst te maken krijgen met de gevolgen van krimp: leegstand. Volgens het RPB zijn met name de vroegnaoorlogse wijken in dit opzicht kwetsbaar. Dit is ook al in de praktijk gebleken; plaatsen als Delfzijl en Winschoten kampten in de jaren negentig met een teruglopende bevolking. Mensen trokken weg vanwege de ongunstige economische omstandigheden. Grootschalige sloop van met name vroegnaoorlogse woningen stond in beide gemeenten op het programma, en toevoeging van andere (lees luxere) woonmilieus om het tij te keren (zoals Blauwestad). Winschoten was de eerste gemeente in Nederland met een krimpscenario in haar woonvisie.
Ook kijken naar aantallen en samenstelling huishoudens
Voor de woningvoorraad is, naast de omvang van de bevolking, ook het aantal huishoudens en de samenstelling daarvan van belang. Een bevolkingsdaling betekent niet automatisch dat de omvang van de woningvoorraad kan of moet afnemen. Feit is dat de woningvoorraad met vertraging op de bevolkingsdaling zal reageren. De totale woningvoorraad zal de komende dertig jaar zelfs nog met 15 procent moeten toenemen om aan de vraag te voldoen (RPB, 2006). Dit is voor een groot deel toe te schrijven aan de toenemende vergrijzing. Een oudere bevolking heeft namelijk gemiddeld meer woningen nodig dan een jonge, omdat het aantal eenpersoonshuishoudens groter is.
4. OMGAAN MET KRIMP
Voor veel gemeentebestuurders is krimp een rampscenario. Gemeenten zijn georiënteerd op groei. Elke gemeente zal dan ook - in eerste instantie – toch zeker zijn inwoners en potentiële beroepsbevolking willen houden, om allerlei voor de hand liggende redenen. Minder inwoners betekent minder belastinginkomsten, een teruglopend voorzieningenniveau, een dreigend tekort aan personeel, minder leerlingen en daardoor op termijn minder scholen. Veel gemeenten vinden bovendien dat van krimp een negatief signaal uitgaat, dat het de gemeente een negatief imago bezorgt. De natuurlijke neiging zal dan ook zijn: in de aanval gaan en nieuwe bewoners en bedrijven proberen te werven. Wanneer (buur-)gemeenten zich dan ook nog eens richten op dezelfde doelgroepen met dezelfde strategie, bijvoorbeeld het realiseren van aantrekkelijke woonmilieus voor senioren, wordt de onderlinge concurrentie alleen maar versterkt. Actieve werving- en imagocampagnes van de ene gemeente trekken inwoners weg uit andere gemeenten. Dit is geen wenselijke en op termijn geen houdbare situatie.
Krimp als kans
Dat het ook anders kan, bewijst de regio Zuid-Limburg. Deze regio heeft als een van eerste gebieden in Nederland te maken met een afnemende bevolkingsomvang en wil krimp vooral zien als kans. Krimp biedt ook daadwerkelijk kansen: minder druk op schaarse goederen, meer fysieke ruimte met nieuwe bouwmogelijkheden, meer ruimte voor groen en een bron van andere economische perspectieven. Kern van de benadering is regionale samenwerking tussen zeven gemeenten. Zo is gezamenlijk in kaart gebracht hoe groot de woningbehoefte is en waar welke nieuwbouw gerealiseerd kan worden. Een ander interessant leerpunt van Parkstad Limburg is het besef dat veel mechanismen ook anders werken in een situatie van een afnemende bevolking. Het uitgangspunt van groei is immers een heel ander perspectief, als het bijvoorbeeld gaat om investeringen in onderwijs, woningvoorraad of groen, dan een bevolkingsafname. Het betekent echter niet per definitie minder investeren, maar vooral anders investeren. Niet groei en kwantiteit, maar revitalisering en kwaliteit moeten centraal komen te staan.
Kwalitatieve opgave in woningbouw
Bij een krimpende bevolking zal de vraag voor veel gemeenten als het gaat om woningbouw niet langer zijn: in welk tempo moet de woningvoorraad groeien, maar: hoeveel nog tot de top en wat doen we daarna? Dit is ook vooral een kwalitatieve opgave. Goed onderhoud van de bestaande woningvoorraad wordt bij een krimpende bevolking des te belangrijker. Bovendien moet woonwensenonderzoek veel preciezer worden uitgevoerd. Wat zijn bijvoorbeeld de precieze woonwensen van groepen ouderen? Waar en in wat voor type woning wil men wonen? In hoeverre zijn uitbreidingswijken nog nodig of kan de groei via inbreiding worden gerealiseerd?
Regionale samenwerking
Om overinvesteringen te voorkomen, is het belangrijk dat gemeenten scherper de regie moeten voeren waar nog mag worden gebouwd en waar niet. Regionale samenwerking is daarbij onontbeerlijk. Bovenlokaal beleid is een belangrijke randvoorwaarde voor een structureel en gefundeerd beleid dat een afdoende antwoord biedt op de bevolkingsafname.
Niches opzoeken
Regionale samenwerking, maar tegelijkertijd pleiten deskundigen ook voor oplossingen juist op een heel laag schaalniveau. Wanneer bevolkingsaantallen dalen en bepaalde vastgoedproducten niet meer in trek zijn, betekent dat niet sloop en vervangende nieuwbouw, maar sloop en andere functies. Daarbij gaat het niet alleen meer om de vraag wie je nog wel aan je kunt binden, maar vooral ook waarmee. Volgens Hilde Blank van BVR zullen dat vooral niches zijn, ontwikkelingen die lokaal echt veel betekenen maar geen trend of algemene beleidslijn in zich dragen. "Als je meer in detail gaat kijken, zie je tal van mogelijkheden voor kleinschalige ontwikkelingen" (Real Estate Magazine, 2006/49).