Column / Flinterdunne marges?

Door Matthijs Bolt , 07 maart 2019

Column / Flinterdunne marges?

Sinds de crisis is er sprake van een krachtige groei van de bouwproductie. Bouwbedrijven hebben weer goed gevulde orderportefeuilles en het zou voor de hand liggen dat de winstgevendheid ook duidelijk is verbeterd. De kernvraag is of de bouwbedrijven inderdaad fraaie rendementen realiseren en zo weer vet op de botten krijgen. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) werkt op dit moment aan een onderzoek om deze en andere vragen over de ontwikkeling van winstgevendheid, bouwkosten en prijzen te beantwoorden.

Door middel van inputprijsindexen is de ontwikkeling van de bouwkosten te volgen. De bouwkostenindex van IGG Bointon de Groot is hier een voorbeeld van en geeft een interessant beeld. Tijdens de crisis laat de bouwkostenindex (gemeten als de inkoopkosten voor arbeid en materiaal) eerst een sterke daling zien, waarna er vanaf 2011 een toename is van 1 à 2 % per jaar. Vanaf 2017 stijgen de kosten gemiddeld echter met zo’n 4% per jaar.

De vraag is welk effect deze stijging van de bouwkosten heeft op de winstgevendheid van de bedrijven. Vanuit het onderzoek naar de bedrijfseconomische kencijfers is te zien dat de winst voor belasting (als percentage van de omzet) in de burgerlijke en utiliteitsbouw (b&u) voor de crisis tussen de 3,5% en 4% lag. In 2013 bereikte het winstpercentage met 1,6% een dieptepunt. Sindsdien is er een herstel gaande, met als voorlopig hoogtepunt 3,3% in 2017. De percentages hebben het niveau van voor de crisis nog niet volledig bereikt, maar er is duidelijk sprake van een opgaande lijn. Ook in de infra is inmiddels sprake van toenemende winstgevendheid, al is de ontwikkeling hier een stuk gematigder dan bij de b&u.

Opvallend in het beeld is de grote mate van differentiatie, zo liggen de winstpercentages voor belasting voor de kleine en middelgrote bedrijven in de b&u in het laatst bekende jaar (2017) al rond het niveau van voor de crisis. Dit geldt ook voor de zzp’ers. De groei van de winstgevendheid bij de grote bouwbedrijven is echter duidelijk minder uitbundig.

De belangrijkste achtergrond hiervoor is de inhuur in de markt. Kleine partijen die zich laten inhuren, zoals gespecialiseerde aannemers en zzp’ers, kunnen gunstige tarieven rekenen. Grote bedrijven hebben evengoed te maken met gunstige condities aan de vraagzijde. Zij hebben echter ook te maken met de stijgende tarieven aan de aanbodzijde. In sommige situaties zijn grote bedrijven ook relatief langlopende projecten aangegaan, waarbij de aanneemsommen nog achterlopen bij de huidige kostprijzen.

Alles overziende is er sprake van een duidelijk winstherstel bij de bouwbedrijven. De beeldvorming dat er nog steeds sprake zou zijn van flinterdunne marges is dan ook niet conform de werkelijkheid. Bij grote bouwbedrijven blijft de ontwikkeling wel wat achter in het licht van de krachtige groei. Hoewel ook hier sprake is van een opgaande lijn zullen de rendementen nog verder moeten verbeteren in de nabije toekomst.


AANBESTEDEN DUURZAME BOUWPROCESSEN WONINGMARKT

Over de auteur

Matthijs Bolt

senior onderzoeker Economisch Instituut voor de Bouw (EIB)