Overwerk en spaarurenmodel

Student Bouwmensen

Het kan zijn dat een werknemer buiten het dagvenster (tussen 7.00 - 19.00 uur) moet werken. Voor deze situatie zijn er in de cao Bouw & Infra 2020 speciale regels opgenomen. Deze kan je vinden in artikel 2.8 en 2.9 cao Bouw & Infra (overwerk en spaarurenmodel voor bouwplaatswerknemers), artikel 5.3 (toeslag bijzondere uren), artikel 5.7 (overwerktoeslag). De regels over overwerk door uta-werknemers vind je in artikel 2.8.1 en 2.8.3 en in art. 5.7.4.

Overwerk bouwplaatswerknemers

Er is sprake van overwerk als een werknemer op een dag meer werkt dan het overeengekomen rooster. Structureel overwerk is niet toegestaan. Een werknemer kan niet worden verplicht overwerk te verrichten, tenzij er sprake is bijzondere gevallen, waarin de omstandigheden dit vereisen (art. 2.8.2). De werkgever heeft hiervoor instemming nodig van tenminste 70% van de betrokken werknemers. Daarnaast heeft de werknemer die overwerkt recht op een overwerktoeslag zoals vermeld in artikel 5.7 (overwerktoeslag).

Werknemers kunnen verplicht worden tot maximaal 3 uur overwerk per week en 64 uur per kalenderjaar, gedurende maximaal 26 weken per jaar (art. 2.9.3). Verplicht extra uren werken gebeurt in eenheden van minstens een half uur. In de kaderregeling kunnen bouwplaatswerknemers in de Infra verplicht worden tot 5 uur overwerk per week en 128 uur per kalenderjaar, gedurende maximaal 26 weken per jaar. Een jongere tot 18 jaar mag niet overwerken.

Per dag mag maximaal 13 uur worden besteed aan (over)werk, reistijd en pauze. Indien de arbeidstijd, de in bijlage 3 voorgeschreven pauze (kolom basisregeling bij toepassing van de basisregeling en kolom kaderregeling bij toepassing van de kaderregeling) en de werkelijke reistijd samen, meer bedragen dan 13 uur per dag, zal de arbeidstijd in zoverre worden ingekort. De in de arbeidstijd vallende reisuren zullen als arbeidsuren worden betaald.

Per project houdt de werkgever een overwerklijst bij, waarop hij per werknemer het aantal overwerkuren per week noteert en de keuze van de werknemer voor een vergoeding in tijd of geld (zie art. 5.7). De werkgever geeft deze lijsten eenmaal per jaar aan de OR of PVT. Als er geen medezeggenschapsorgaan is en het wel gaat om een onderneming met tien of meer werknemers, dan dient de werkgever het onderwerp overwerk één keer per jaar te bespreken, met de werknemers. De werkgever stelt voor dit overleg de overwerklijsten ter beschikking.

Wanneer de werkgever zijn werknemers langer dan een week, meer dan 25% laat overwerken op een project, dan vraagt hij daar advies over aan de OR of PVT. Als er geen medezeggenschapsorgaan is dan vraagt de werkgever advies aan de betrokken werknemers.

Spaarurenmodel

Bouwplaatswerknemers van 18 jaar of ouder met een volledig dienstverband kunnen, per kalenderjaar gedurende maximaal 26 weken, ten behoeve van de opvang van discontinuïteit in de bedrijfsvoering, worden verplicht 80 spaaruren per kalenderjaar op te bouwen door middel van verplicht overwerk en/of inleg van reisuren).

Bij toepassing van de kaderregeling, kan voor de Infra een maximum van 128 uur verplichte spaaruren worden afgesproken (zie art. 2.9.3) De voorwaarden voor het spaarurenmodel zijn:

  • Om spaaruren te realiseren, kunnen werknemers naast overwerkuren ook reisuren inleggen. Er mogen maximaal 80 spaaruren in het algemeen, of 128 spaaruren voor infrawerkzaamheden gespaard worden. Tegenover 1 overwerkuur staat, afhankelijk van de hoogte van de overwerkvergoeding, minimaal 1,25 spaaruren. Het aantal spaaruren dat tegenover 1 reisuur staat, wordt berekend door het garantie-uurloon dat geldt voor een reisuur, waarvoor als maximum het garantie-uurloon van groep A van loontabel I (zie tabel 4.2. p. 33) geldt, te delen door het garantie-uurloon van de werknemer.
  • Een werknemer die kiest voor de inleg van reisuren en een hoger garantieloon heeft dan loongroep A, zal door de omrekenfactor minder spaaruren opbouwen. Het tekort aan spaaruren dat hierdoor ontstaat, kan niet door de werkgever worden aangevuld met overwerkuren, waardoor de werkgever dus minder spaaruren kan inzetten voor de opvang van discontinuïteit (art. 2.9.3).
  • Het loon over de verplichte extra uren en de ingelegde reisuren worden op de rekening van de werknemer bij het Tijdspaarfonds (TSF) gestort (art. 2.9.4).
  • De werkgever heeft jaarlijks tot 1 april de tijd om opgebouwde spaaruren in te zetten. Als er op die datum nog spaaruren over zijn dan vervallen die tenzij de werknemer ervoor heeft gekozen om ze over te hevelen naar de volgende spaaruren periode. De werkgever kan in dat geval deze uren nog tot 1 april van het volgende kalenderjaar inzetten. De spaaruren die niet worden opgenomen in het kader van discontinuïteit worden in april aan de werknemer uitgekeerd door het TSF.
  • De spaaruren worden altijd ingezet in hele dagen en voorafgaand daaraan meldt de werkgever altijd schriftelijk, 7 dagen van tevoren dat hij deze dagen inzet. Over de dagen dat de werkgever spaaruren inzet, is hij geen loon meer verschuldigd. De werknemer wordt geacht hiervoor gebruik te maken van het bedrag dat op zijn Tijdspaarfondsrekening is gestort (art. 2.9.3 en 2.9.4.)

Overwerk uta-werknemers

Een uta-werknemer kan niet worden verplicht overwerk te verrichten. Structureel overwerk dient in beginsel te worden vermeden (artikel 2.8.3). Aan de werknemers zal schriftelijk worden bekendgemaakt op welke wijze compensatie wordt gegeven voor door de werkgever opgedragen overwerk van aanmerkelijke omvang. Voor het geval een werkgever niet schriftelijk bekend heeft gemaakt op welke wijze hij overwerk compenseert, alsmede indien per saldo minder dan het uurloon wordt gecompenseerd, worden de overuren van werknemers in de functies tot en met niveau drie minimaal vergoed tegen het geldende salaris per uur dan wel tijd voor tijd.