Kansrijke richtingen voor duurzame inzetbaarheid

Onderzoek

woensdag 31 maart 2021

Fenneken Lamaker

Beleidsadviseur Duurzaam inzetbaarheid

Voor de woningbouw, energietransitie en de vervanging van de infrastructuur zijn voldoende bouwmedewerkers nodig. Maar de jaarlijkse kosten van uitval in de bouw- en infrasector zijn hoog en de sector heeft last van vergrijzing. Welke kansen zijn er voor de duurzame inzetbaarheid van bouwmedewerkers?

Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de bouw kost jaarlijks 1,9 miljard euro, blijkt uit onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). De organisatie onderzocht de feiten en cijfers omtrent uitval in de sector en welke maatregelen het verzuim kunnen verlagen. En maatregelen zijn nodig, vindt het EIB. In de komende tien jaar liggen er namelijk opdrachten waar de bouwsector een grote rol in speelt, zoals klimaatbestendigheid, circulariteit en ruimtelijke ontwikkeling.

Fysieke en mentale werkbelasting

Wat zijn de huidige ontwikkelingen? Het verzuim blijft relatief hoog, terwijl uitval van bouwplaatsmedewerkers in de periode 2015–2018 wel sterk is afgenomen. Twee derde van die kosten komt door arbeidsongeschiktheid en dertig procent heeft betrekking op productiviteitsverlies. Bij bedrijven met minder dan tien medewerkers is het ziekteverzuim twee keer zo hoog als bij grotere bedrijven. 55-plussers verzuimden in 2018 vaker dan in 2019. Ook ervaart de bouwsector een relatief hoge fysieke en mentale werkbelasting. 60 procent van de bouwplaatsmedewerkers zegt een hoge tot zeer hoge fysieke werkbelasting te ervaren. Het UTA-personeel (Uitvoerend Technisch Administratief) ervaart voornamelijk een mentale belasting. Tijdsdruk en complexiteit van het werk zijn hiervoor de grootste redenen. Ook de communicatie met de diversiteit aan werkploegen, de onderaannemers en de omgeving vraagt steeds meer van de medewerkers. Daarbij geeft ook één op de drie van de bouwplaatsmedewerkers aan een hoge mentale werkbelasting te ervaren.

Vier richtingen voor duurzame inzetbaarheid

Waar liggen kansrijke oplossingen voor duurzame inzetbaarheid in de bouwsector? Volgens het EIB liggen de belangrijkste aandachtspunten bij de hoge mentale werkbelasting, het toenemende verzuim bij het UTA-personeel, het ziekteverzuim bij kleinere bedrijven en de risicogroep van 40- tot 55-jarigen.

1. Integraal HRM-beleid met aandacht voor bewustwording, verbetering van de arbeidsomstandigheden en opleidingen
Een integraal HRM-beleid met aandacht voor diverse aspecten en een mix van traditionele en moderne maatregelen kan de duurzame inzetbaarheid bevorderen. “Hier is met name aandacht voor ontwikkeling, vitaliteit, gezondheid en preventie nodig”, aldus het EIB. Het gebruik van beschermings- en hulpmiddelen en aandacht voor loopbaanplanning kunnen de fysieke werkbelasting verlagen. De toenemende mentale belasting vraagt meer om moderne maatregelen, zoals aandacht voor de levensstijl en werk-privébalans. Grotere bedrijven gebruiken daarvoor al vaak de Duurzame Inzetbaarheidsanalyses (DIA’s) via Volandis, maar ook voor kleinere bedrijven is dit interessant. Hoe beter de adviezen worden opgevolgd en geëvalueerd, hoe groter de effecten van de analyse zijn. Opleiden en (om)scholing neemt een grote rol in dit integrale HRM-beleid. Vrijwel alle bouw- en infrabedrijven bieden momenteel opleiding en (om)scholing aan. Kleinere bouwbedrijven richten zich vervolgens vooral op bredere inzetbaarheid van het personeel en leermeesterschap voor de senioren. Grotere bedrijven kiezen vaker voor doorgroeimogelijkheden naar managementfuncties. Niet iedereen heeft behoefte aan scholing, blijkt uit de cijfers van het EIB. 50 procent van het UTA-personeel onder de 40 jaar heeft dit overigens wel en bij de bouwplaatsmedewerkers gaat het om 50 procent in de leeftijdsgroep 40–55 jaar.

2. Vierdaagse werkweek voor 55-plussers en zwaar belaste werknemers
“De medewerkersgroep 55-plussers kent een hoog ziekteverzuim met vaak een jarenlange historie van De bouwsector ervaart een relatief hoge fysieke en mentale werkbelasting zware werkbelasting”, schrijven de onderzoekers in het rapport. Hoewel bouwbedrijven er weinig gebruik van maken, biedt de cao Bouw & Infra de mogelijkheid om hen een vierdaagse werkweek aan te bieden. Zo worden deze medewerkers minder belast. Daarnaast kunnen bedrijven ook kijken naar alternatief werk buiten het bedrijf en eventueel de sector. Bij de zware beroepen is een vervroegd pensioen ook een mogelijkheid.

3. Ruimte voor technische en procesinnovaties
Technische en procesinnovaties kunnen belasting van medewerkers verlagen. Minigravers, metselrobots en exoskeletten helpen medewerkers bij zwaar fysiek werk. Procesondersteunende innovaties zoals digitalisering en automatisering helpen bij de voorbereidende werkzaamheden zodat bouwactiviteiten efficiënt kunnen worden uitgevoerd. BIM voorziet bijvoorbeeld in een makkelijkere communicatie tussen de verschillende partijen in de bouw. “Daarnaast is toenemende aandacht voor standaardisatie en prefab gunstig voor de belasting van de werknemers”, aldus de onderzoekers in het rapport.

4. Aandacht voor de rolverdeling en tijdsdruk in projecten
Werkomstandigheden bepalen voor een groot deel de werkbelasting van de medewerkers. Als hier al direct in de ontwerpfase van een project aandacht voor is, kunnen medewerkers efficiënter worden ingezet. Dit betekent wel dat de opdrachtgever en de hoofdaannemer meer zicht moeten krijgen op de belastende factoren in de keten, inclusief onderaannemers, zzp´ers en uitzendkrachten. Tijdsdruk vraagt bijzondere aandacht, vindt het EIB. “Een groot deel van de maatschappelijke opgaven in het komende decennium kent een grote complexiteit en zal vooral in bestaand bebouwd gebied worden gerealiseerd. Dit brengt potentieel maatschappelijke hinder met zich mee, waardoor de druk toeneemt om de bouwtijd te beperken.” Daarnaast kan duurzame inzetbaarheid ook één van de EMVI-factoren bij een aan besteding worden, zodat partijen gezamenlijk naar planning en uitvoerbaarheid gaan kijken.

Bekijk het EIB-rapport ‘Duurzame inzetbaarheid in de Bouw en Infra'

Dit artikel verscheen eerder in de special Bouw aan een fitte toekomst, een samenwerking tussen Koninklijke Bouwend Nederland, Volandis en Cobouw.